Steeds meer vijf- en zesjarige kinderen gaan niet naar school, omdat het niet lukt om een passende onderwijsplek te vinden. Vorig schooljaar was twaalf procent van die zogenaamde thuiszitters in de kleuterleeftijd. Experts maken zich zorgen: “Ik kom soms scholen tegen waarvan ik denk: hebben jullie echt alles geprobeerd?”
Het is dinsdagochtend, tien uur, als Ali Karaali met zijn zoon Rayan komt aanlopen (“Kiyan zou ook meekomen, maar die voelde zich niet lekker”). De meeste kinderen zitten op dit tijdstip in het klaslokaal, maar de achtjarige Rayan niet. Net als zijn twee jaar oudere broer gaat hij niet naar school, al sinds ze kleuters waren zijn er moeilijkheden. Beide kinderen zijn non-verbaal en hebben extra ondersteuning nodig, maar dat lukte op een reguliere basisschool niet. Een non-verbaal kind gebruikt niet of nauwelijks gesproken taal om te communiceren.
Rayan is helemaal niet naar school geweest, nadat zijn broer Kiyan het al op drie scholen had geprobeerd: één daarvan weigerde hem, op de twee andere lukte het niet om aan te sluiten bij wat hij als non-verbaal kind nodig had. Een doorverwijzing naar het speciaal onderwijs leek in eerste instantie uitkomst te bieden, maar de school waarnaar hij verwezen werd bleek niet bij hem te passen.
Scholen voor speciaal onderwijs zijn onderverdeeld in vier clusters. Kiyan werd naar cluster 3 verwezen (voor kinderen met lichamelijke, verstandelijke of meervoudige beperkingen), terwijl hij waarschijnlijk een taalontwikkelingsstoornis heeft, die onder cluster 2 valt. Karaali: “Op de scholen waar wij naartoe werden gestuurd hadden ze daar helemaal geen expertise in.” Omdat het Kiyan niet lukte om de verplichte onderzoeken af te ronden waarmee een taalontwikkelingsstoornis officieel gediagnosticeerd wordt, kreeg hij geen doorverwijzing voor dit cluster.
Maanden thuis
Het verhaal van Rayan en Kiyan staat op niet op zichzelf. In Amsterdam gaan steeds meer jonge kinderen niet naar school. Van de 821 kinderen die vorig jaar niet op een school waren ingeschreven, was twaalf procent vijf of zes jaar oud. Dat komt neer op zo’n honderd kinderen. Waarschijnlijk ligt het daadwerkelijke aantal thuiszitters veel hoger, omdat veel van hen – net als Kiyan – officieel nog wel op een basisschool staan ingeschreven.
De Onderwijs Consumenten Organisatie (OCO) maakt zich zorgen over die groep, en stuurde eind vorig jaar een brandbrief naar scholen en de gemeente, samen met Cliëntenbelang en Jeugdplatform Amsterdam. “Het gaat om kinderen van vier, vijf of zes jaar, die net starten of willen starten op de basisschool, en bij wie in die fase al problemen ontstaan”, zegt directeur Floor Kaspers van OCO. “We zien dan dat scholen zeggen: ‘We weten niet of we dit kunnen.’ Dan krijg je dus dat hele jonge kinderen al thuis komen te zitten.”
Ook het Samenwerkingsverband, de organisatie waarin basisscholen samenwerken om voor kinderen die extra ondersteuning nodig hebben passend onderwijs te regelen, zegt in een reactie zich zorgen te maken om deze groep. Directeur Joost van Caam noemt het een van de belangrijkste speerpunten: “We zoeken met alle partijen naar andere oplossingen dan de bestaande voorzieningen, omdat de keten verstopt zit.”
De belangrijkste oorzaak van jong thuiszitten is dat kinderen een andere leer- of ontwikkelroute nodig hebben wegens ontwikkelingsachterstanden, gedrag op school of de behoefte aan intensieve zorg of begeleiding. Een groot deel van de kinderen komt dan ook in aanmerking voor speciaal onderwijs, maar het maanden of zelfs langer duren voordat daar plek vrij is.
Kaspers: “En in die tussenperiode komen kinderen vaak thuis te zitten. Dat gaat dus om kinderen van wie je weet dat de ontwikkeling niet vanzelf gaat, maar die op dat moment ook niet op een plek zitten waar aan die ontwikkeling gewerkt wordt, want ze zitten thuis.” Afhankelijk van het cluster waarnaar de kinderen worden verwezen, lopen de wachttijden op van vier maanden tot meer dan een jaar.
Karaali heeft gezien wat het met zijn kind deed om steeds op een andere school te beginnen, om na korte tijd weer te horen dat het onderwijs toch niet passend is: “Als ouder zie je je kind steeds teleurgesteld thuiskomen. Hij werd een soort pingpongbal, van de ene naar de andere school.” Karaali en zijn vrouw namen ook zelf eens het besluit om Kiyan niet naar een aangewezen school te laten gaan, omdat ze het onderwijs na een aantal wendagen niet passend vonden.
Er niet bij horen
Volgens de wet hebben scholen een zorgplicht. Dat betekent dat de huidige school verantwoordelijk blijft voor zowel het onderwijs van het kind als het vinden van een passende vervolgplek. Maar in de praktijk is die ondersteuning lang niet altijd op orde. Zo had Kiyan als kleuter baat bij een zorgstudent, die hem op de reguliere basisschool ondersteunde, maar dat hield op toen op de wachtlijst voor speciaal onderwijs kwam.
Karaali: “Vanaf dat moment heeft de school hem losgelaten. En in het proces daarna merkte ik dat alles altijd om financiën draait: wie moet wat betalen? En die kinderen verdwijnen als een soort dossiers op de achtergrond.”
Joost van Caam van het Samenwerkingsverband zegt zich zorgen te maken over de kinderen die door lange wachttijden tussen wal en schup vallen: “En tegelijk begrijpen we het dilemma van de school. We zijn immers betrokken geraakt vanwege een zorg over de ontwikkeling van de leerling en hebben zelfs het advies en besluit tot toelaatbaarheid voor het speciaal onderwijs afgegeven. Dan is het niet meteen hebben van een plek vaak een grote teleurstelling voor school en ouders, maar wel de huidige realiteit.”
Floor Kaspers van OCO ziet dat scholen zich niet altijd aan hun zorgplicht houden: “Een kind met een pakketje schoolspullen naar huis sturen en zeggen: ‘Dit is het’, dat is niet genoeg.” Ouders krijgen ook vaak te horen dat hun kind alleen nog op specifieke tijden op school welkom is, dus twee uur per dag of een paar keer per week.
Ouders weten op zo’n moment vaak niet waar ze moeten aankloppen voor hulp: de school, de leerplichtambtenaar, het samenwerkingsverband, het ouder- en kindteam of het samenwerkingsverband. Veel ouders die AT5 voor dit verhaal sprak kregen het gevoel dat, door deze kluwen aan betrokken organisaties, niemand overzicht had of verantwoordelijkheid nam.
Van Caam: “Ik ben mij ervan bewust dat wij de zoveelste instantie zijn die een hobbel of obstakel betekenen. Om die reden hebben we besloten dat we niet altijd betrokken hoeven te worden en dat we de professionele inschatting van anderen volgen, bijvoorbeeld wanneer het speciaal onderwijs inschat dat een leerling daar zou passen. Soms komt daar een andere conclusie uit, namelijk dat nog niet haalbaar is. Ook dan volgen we dat advies en dat wordt door ouders niet altijd geaccepteerd.”
Kaspers merkt bovendien dat scholen niet altijd zitten te wachten op kinderen die meer begeleiding nodig hebben: “Wanneer een kind niet goed is geland op een basisschool en de ouders nieuwe scholen gaan bellen, dan krijgen ze soms te horen: ‘Als je kind veel hulp nodig heeft, dan gaan we daar niet aan beginnen.’ Dat mag niet. En als kinderen al zo jong het gevoel krijgen er niet bij te mogen horen, dan dragen ze dat met zich mee.”
Oplossingen
Kinderen worden steeds vaker doorverwezen naar speciaal onderwijs of specialistische jeugdhulpvoorzieningen, terwijl die wachtlijsten groeien. In de afgelopen drie jaar is het aantal aanvragen voor kinderdagcentra (dagbehandelingen voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand, verstandelijke beperking of meervoudige beperking) zelfs verviervoudigd.
Ook Onze Amsterdamse School in de Houthavens liep hier tegenaan. Zij besloten hierop een onderwijszorggroep op te richten, waar kinderen van vier tot en met zeven jaar – binnen de muren van de school – extra ondersteuning kunnen krijgen. Bijzonder is dat de klas is gericht op kinderen met gedragsproblemen, terwijl andere onderwijszorggroepen in de stad voornamelijk op ontwikkelingsachterstanden of beperkingen focussen.
“Er is hier veel aandacht vanuit de leerkracht om het kind goed te begeleiden”, zegt intern begeleider Eva Tol. “We zien dat ze zich steeds veiliger voelen en mee kunnen draaien in de routines van de dag, terwijl dat in het begin nog heel erg aangeleerd moet worden.”
De vijfjarige Mitansh uit India zit hier sinds een paar weken in de klas en boekt snel vooruitgang. Hij kwam binnen met gedragsproblemen, waardoor zijn oude school het lastig vond om hem te begeleiden. Ook kon hij zich moeilijk staande houden in een klas met veel leerlingen. In zijn huidige klas zitten maximaal vier kinderen op twee docenten.
De gemeente Amsterdam had als doel om voor het begin van de zomer 21 onderwijszorggroepen in de stad te realiseren, maar dat aantal is blijven steken op twaalf. De gemeente laat weten dat het lastig is om personeel te vinden voor deze klassen, maar dat dit aan het einde van het jaar geregeld moet zijn.
Melding bij Veilig Thuis
Naast afwijzingen krijgen veel ouders die AT5 sprak te maken met een melding bij Veilig Thuis vanuit de school. Volgens hen gebeurt dat vaak wanneer een kind onbegrepen gedrag vertoont of er discussie is over een passende vervolgplek. Veilig Thuis richt zich op de veiligheid in de thuissituatie en kan niet helpen bij het oplossen van problemen rondom passend onderwijs.
Ali Karaali kreeg zelfs twee keer met zo’n melding te maken. De eerste volgde nadat de opvang van zijn zoon op de eerste dag een ‘niet-pluis-gevoel’ had, omdat hij weinig contact zou maken. Dat zorgde voor de verdenking van mogelijke onveiligheid in de thuissituatie. De Geschillencommissie oordeelde later dat het ging om begrijpelijk gedrag voor een jong kind en verklaarde de klachten ongegrond.
“Het zorgde voor heel veel stress”, zegt Karaali. “Zo’n melding kan in het ergste geval resulteren in uithuisplaatsing. Dat zijn geen kleine middelen.” Bovendien merkte hij dat hij sinds dat moment een bepaald ‘stempel’ kreeg: “Instanties denken snel dat het wel aan de familie zal liggen of dat wij de kinderen bewust thuis zouden houden, terwijl we niets liever willen dan dat ze weer naar school gaan.”
In 2023 schreef de toenmalige minister van Onderwijs, Robbert Dijkgraaf, in een brief aan de Kamer dat een onderwijsgeschil over passend onderwijs nooit reden mag zijn voor een school om Veilig Thuis in te schakelen. Het dreigen met dergelijke meldingen, waarover AT5 ook regelmatig hoorde van ouders, noemde hij “erg kwalijk en onwenselijk”. De melding zorgde ervoor dat Karaali zijn zorgtaken en werk niet meer kon combineren, en leidde er uiteindelijk toe dat hij stopte met zijn baan.
Piek
“Ik kom soms scholen tegen waarvan ik denk: hebben jullie echt alles gedaan om het kind te begeleiden?’, vertelt Floor Kaspers. “Ik ben ervan overtuigd dat niemand het vak in gaat om kinderen onderwijs te onthouden, maar soms zien we dat onder werkdruk te eenvoudig wordt gedacht: ‘Dit kind is nu te ingewikkeld in de klas, dus het is het makkelijkst als dit kind nu ergens anders naartoe gaat.’
“Helaas wordt vaak gekozen voor een-op-een-begeleiding”, zegt Joost van Caam. “En dat is prijzig, waardoor niet de hele week ondersteuning ingezet kan worden. Dat zien we graag anders, want deze vorm van ondersteuning is ook niet effectief voor de leerling. Het ontlast slechts de leraar.”
En of het einde al in zicht is? Kaspers vindt het een lastige vraag. “Ik wil geloven dat we nu toch wel echt op de piek zouden moeten zitten, en dat we vanaf nu een daling zouden moeten kunnen zien.”
Mitansh heet inmiddels zoveel vooruitgang geboekt dat hij binnenkort mag doorstromen naar het reguliere onderwijs. Ali zoekt nog steeds naar een passende plek voor zijn zoons.

